Kiek nou 's!
Door Herman Woltersom

Dalen werd geteisterd door grote branden

Grote branden hebben Dalen in het verleden geteisterd. Augustus 1815 ontstond in het huis van kastelein Kars van Tarel “eene hevige brand, die zoo schielijk tot de belendende huizen oversloeg, dat in minder dan in 2 uren tijds, 14 huizen in de asch lagen”.

Hoe de brand was ontstaan was toen een groot raadsel maar waarschijnlijk was een gast van kastelein Van Tarel, die teveel gedronken had met een brandende pijp gaan slapen. Ook in augustus, maar dan in 1933 werden door vermoedelijk hooibroei drie boerderijen in de as gelegd. De boerderijen van J. Bouwers, R. Kiers en W. Caspers brandden tot de grond toe af.

De zoon van landbouwer Kiers ontdekte rond een uur ’s nachts als eerste de brand welke ontstaan was in een hooischuur van Bouwers en wekte de bewoners. Als eerste wekte hij dienstbode Jo Gerrits die in eerste instantie niet begreep wat er aan de hand was maar weldra door had welk groot gevaar er dreigde. In totale verwarring rende ze eerst naar de schuur om haar nieuwe fiets te redden. Daarna rende ze het brandende gebouw weer in om een van de kleine kinderen uit bed te halen en op een veilige plek in het gras te leggen. Vervolgens rende ze weer naar binnen om de vrouw des huizes en een andere kind eruit te halen, uiteindelijk lukte het haar ook nog om de vast slapende Bouwers te wekken. Door het kordate optreden van Jo Gerrits is erger voorkomen.

De boerderij van Bouwers werd ook bewoond door de wijkverpleegster zuster Duinkerken terwijl in een gedeelte van de boerderij van Caspers het gezin van de onderwijzer Joosten woonde. Door de wind dreven de vonken van de vuurzee over de riet gedekte schuur van Caspers zodat die grote boerderij ook al heel gauw in brand stond. De boerderij van Hidding liep, naast het huis van Caspers ook groot gevaar, maar het rieten dak welke ook meermalen vlam vatte kon door steeds maar weer emmers water op het dak te gooien gered worden. Ongeveer 250 voer hooi en graan werd een prooi van de vlammen terwijl ook een varken van Bouwers verbrandde. Het andere vee liep gelukkig in het land. Alle bewoners konden zich gemakkelijk redden, echter de inboedel ging verloren behalve van de heer Joosten waarvan nog veel in veiligheid gebracht kon worden.

De drie afgebrande boerderijen behoorden tot de grootste van Dalen. Aan de motorspuit van Dalen was het te danken dat er nog niet meer boerderijen in vlammen zijn opgegaan. Het werd nog wel kritiek toen bleek dat de inhoud van de brandkuil waaruit het water naar de brand geperst moest worden onvoldoende was. Om uitbreiding van de brand te voorkomen werd er zoveel mogelijk water uit de omliggende putten aangevoerd. Zondagmorgen was het gevaar nog niet geweken. Maar omdat de stoomzuivelfabriek in de nabijheid stond werd ook daar de motorspuit aangesloten op de uitstekende nortonwel, het water werd daar uit de ondergrondse watervoerende laag gehaald. Drie grote kapitale boerderijen op de hoek Emmerweg-Achterkamp veranderden in een korte tijd tot ruïnes. Alle boerderijen waren verzekerd bij de Onderlinge Brandwaarborg Mij. Oosterhesselen.

(Met dank aan Stichting Aold Daol’n)