Tichelaar: ‘Trots zijn op Drentse parels, schouders onder banen en onderwijs’

Assen – Drenthe mag trots zijn op haar recreatieve en culturele parels, maar mag de ogen ook zeker niet sluiten voor zaken die behoorlijk mis gaan in de provincie. En daar moet hard aan gewerkt worden.

Dat zei Jacques Tichelaar, commissaris van de koning in Drenthe, dinsdag tijdens zijn nieuwjaarstoespraak. Eerst de positieve dingen die Drenthe vorig jaar bewerkstelligde. Zoals het explosief groeiende aantal overnachtingen in de provincie, vakantiegangers die maar liefst één miljard euro uitgaven in Drenthe, dat door recreanten tevens als dé fietsprovincie werd uitgeroepen. De realisatie van Wildlands in Emmen.

Tichelaar: ‘Ook hebben we in 2016 het prachtige nieuwe Atlastheater geopend in Emmen. Het is zo mooi, dat we nu al weer op zoek moeten naar een nieuwe directeur!’

Globetheater

Hij wees tevens op het bijzondere Globetheater in Diever. ‘Het is wel opmerkelijk dat er binnenkort bankjes in gemonteerd moeten worden. In het Engelse Shakespeare-theater staat het publiek tijdens de voorstelling. Drenten willen dat niet. Wij zitten liever.’

‘En natuurlijk hadden we in 2016 ook het Pauperparadijs in Veenhuizen. Het was zo’n groot succes dat voor het vervolg komende zomer al tienduizenden mensen op de wachtlijst staan. En we hadden de eerste editie van de Bluesopera in Grolloo; het geweldige initiatief van Johan Derksen. Ik reken er op dat we hier binnen vijf jaar ons eigen Woodstock hebben. Met 60.000 bezoekers!’

Keerzijde

Maar de Drentse medaille heeft ook een keerzijde, aldus Tichelaar. Hoge werkloosheid, lage inkomens, ruim 11.000 Drentse kinderen de opgroeien in armoede, 4000 gezinnen bij de Voedselbank, zwakke scholen, 45.000 laaggeletterden in Drenthe, een hoog ziekteverzuim, ongezonde levensstijl, alcoholmisbruik, geweld en verwaarlozing achter de voordeur. ‘Voor veel van deze zaken geldt: Drenthe gaat aan kop.’

En dat mag niet doodgezwegen worden, vindt Tichelaar. ‘In Amerika heb je ook gebieden die economisch achterblijven. Er zijn overeenkomsten met wat er hier gebeurt in Zuidoost-Drenthe, de Veenkoloniën, Oost-Groningen. De maakindustrie is totaal weg, het opleidingsniveau is laag. Veel mensen zijn werkloos, arm. Mensen voelen dat ze buiten de boot zijn gevallen. Al generaties achtereen.’

Onmacht en boosheid

Dat werkt, zo meent de commissaris, onmacht en boosheid in de hand. ‘En ze die mensen dus gevoelig voor populisten, die zondebokken aanwijzen. Zonder overigens een oplossing te bieden voor de problemen. De overheid moet oppassen dat ze `de straat’ niet verliest. Mensen houden zich niet meer koest. Wat verwacht u van de verkiezingen, op 15 maart? Gelooft u mij: zo komt het niet goed.’

Want hoe kan het nou zijn dat er kabinet na kabinet steeds wordt gekozen voor de stad, met name voor de Randstad?, vraagt Tichelaar zich af. ‘Dan kun je wel volhouden: de overheid is er niet voor het scheppen van banen. Maar ik zeg: Waarom niet? De overheid heeft toch ook een zorgplicht voor haar mensen in de regio’s die het moeilijk hebben? Waarom zou de rijksoverheid hier in Noord-Nederland niet kunnen stimuleren dat rijksdiensten en bedrijven meer mensen in dienst nemen? En waarom zou je als overheid deze regio niet de armslag geven om haar eigen economische beleid te voeren?’

Met meer beleidsruimte en met minder regels, aldus Tichelaar. ‘Zodat we hier zelf kunnen bepalen wat we verstaan onder staatssteun. En hoe we ons geld economisch en maatschappelijk willen investeren.’

Taskforce

En deed Tichelaar een oproep aan werkgevers en werknemers, om samen met gemeenten en de provincie een Taskforce in het leven te roepen. ‘Niet een commissie die weer een zoveelste rapport gaat afscheiden, maar een Taskforce die echt iets gaat doen aan de hoge werkloosheid. Die een substantieel verschil wil maken.’

Volgens de commissaris moet er een banenplan komen en een plan om het Drentse onderwijs (‘Misschien wel de belangrijkste economische factor’) beter op orde te krijgen. ‘De resultaten hiervan moeten al in 2018 te meten zijn. Slagen we niet, dan blijven we achteruit boeren. Dan blijven we krimpen. In economische zin, in inkomen, in inwonertal en in maatschappelijk en sociaal opzicht.’