Kiek nou 's!
Door Herman Woltersom

Boeren stichtten stoomzuivelfabriek om de winsten zelf te behouden

De eerste industrievestiging van de vorige eeuw in Coevorden was in 1901 de NV Stoomzuivelfabriek Coevorden, gevestigd aan de Melkkade.

Voor 1901 was er wel al een boterhandelaar aan de Tuinstraat die tevens melk karnde. Op 30 april 1892 passeerde bij notaris G. Weys namelijk de akte van de vennootschap onder firma M.J. Danneboom en Zonen. De firmanten waren Hermann en Louis Danneboom, beide gevestigd in Coevorden en Julius Danneboom uit Amsterdam.

De vennootschap was gevestigd in Coevorden met een filiaal in Amsterdam en had ten doel ‘Het drijven van handel in koloniale waren, boter, eieren en aanverwante artikelen, zoomede het stichten en exploiteeren eener stoomzuivelfabriek te Coevorden en de verkoop van de aldaar te verkrijgen producten’. Een advertentie voor een directeur en machinist voor de stoomzuivelfabriek verscheen al op 10 februari 1892 in de Leeuwarder Courant. De Stoomzuivelfabriek draaide, afgaande op een artikel uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 30 december 1892, goed. Er waren toen al twee centrifuges en twee karnen voor de boterbereiding uit 4500 liter melk in werking. De verwachting was dat de hoeveelheid melk in de zomer zou stijgen tot 12.000 tot 15000 liters. Uit Gramsbergen, Schoonebeek, Oosterhesselen en Sleen werd de melk ‘per as of schip’ aangevoerd.

Rond 1900 kwamen echter enkele boeren op het idee om zelf in Coevorden een stoomzuivelfabriek te stichten om zo de winsten zelf te behouden zodat het niet meer zou verdwijnen in de zakken van de firma M.J. Danneboom en Zonen. Bij Koninklijk Besluit van 30 april 1901 kon Stoomzuivelfabriek ‘Coevorden’ starten met een kapitaal groot 7000 gulden, verdeeld in aandelen van 10 gulden waarvan 6235 gulden was geplaatst. Middels een advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 28 mei 1901 kon men ten laste van NV de Stoomzuivelfabriek ‘Coevorden’ inschrijven op een lening van 11.000 gulden. Met jaarlijks minstens 500 gulden zou de lening worden afgelost beginnende op 1 juli 1903.

De aanbesteding voor het bouwen van de fabriek en een directeurswoning aan de Melkkade was op dinsdag 16 april 1901. Bestek en tekeningen lagen in Café Bekkering in Coevorden, Café Scholte in Nieuw-Amsterdam en in Hotel Wely te Avereest ter inzage. Hoogste inschrijving was van Offringa uit Makkinga met 10980 gulden, laagste inschrijver was van Epping uit Coevorden met 8499 gulden. Benoemd tot directeur werd J.J. Heida, hij was directeur van de zuivelfabriek te Augustinusga en maakte de overstap naar Coevorden. Het aanvangssalaris was 600 gulden per jaar plus een vrije woning en brandstof. In 1902 liet de coöperatieve stoomzuivelfabriek zich inschrijven als lid van de Bond van Coöperatieve Zuivelfabrieken.

In hetzelfde jaar stond een advertentie in de krant waarin bij de fabriek ‘op billijke voorwaarden een volontair’ geplaatst kon worden. Met andere woorden: ze vroegen in de advertentie een leerling die onbetaald aan het werk zou kunnen. Op maandag 19 maart 1928 was op het kantoor van de stoomzuivelfabriek een aanbesteding voor het gedeeltelijk afbreken en weer opbouwen van de bestaande zuivelfabriek. Inlichtingen werden door de architecten G. en W. Wieringa verstrekt. Het gebouw aan de Melkkade heeft tot 1969 dienst gedaan als zuivelfabriek.